|
De Historie van de Klarinet
De ontwikkeling van de klarinet begint al bij de primitieve mens.
Uit bestudering van nog bestaande primitieve stammen, vondsten van
grottekeningen en opgravingen blijkt dat als eerste het slagwerk ontstond.
De andere instrumenten ontstonden later, waarbij de hedendaagse
melodie-instrumenten zijn terug te brengen naar drie oervormen:
1) De snorrende pees van de pijl en boog is de
oervorm van de snaarinstrumenten.
2) De dierenhoorns en schelpen van het koper.
3) De rietstengels van de houten blaasinstrumenten.
De laatste groep is voor de ontwikkeling van de klarinet van
belang en had eerst voor iedere toon een aparte pijp (panfluit), later ontdekte
men dat ook de toonhoogte ook beïnvloed kon woorden door toongaten aan te
brengen. Zo ontstond de langfluit.
Langfluit tentoongesteld in het Haags Gemeentemuseum
De eerste keer dat er een dubbelriet op een instrument gebruikt wordt is in de
tijd van de Grieken (+5000 v. Chr.).
Pas veel later (+2700 v. Chr.) komt het enkelriet in beeld. Het enkelriet werd
gebruikt op instrumenten die uit meerdere buizen bestonden (zoals bij een
doedelzak). Bekend zijn onder andere de memet (Egypte), Arghul, Mashura(Middellandse
zee) en de launeddas

Een typerend blaasinstrument voor de volksmuziek op het eiland Sardinië is de
launeddas, een tripelklarinet van twee pijpen waarop de melodie gespeeld kan
worden en een bourdonpijp
Rietinstrumenten met maar één enkele buis vinden we voor het eerst in Noordoost
Europa.
Het bekendste voorbeeld is de schalmei. De naam is afgeleid van het Latijnse "calamus",
wat klein riet betekend, of van het Griekse "kalane", wat rieten pijp betekend.
De schalmei is waarschijnlijk uit Egypte via Sardinië naar Noordoost-europa
gekomen. In de vroege middeleeuwen (476-1160) werden de instrumenten over geheel
Europa verspreid.
De Schalmeien die in de late middeleeuwen (1160-1400) en Renaissance (1400-1600)
werden gebruikt hadden een dubbelriet dat vrij in de mond trilde en een conisch
boring (een buis die naar beneden toe uitloopt, zoals bij de saxofoon en de
hobo).
We hebben nu de toongaten, een enkel riet en de Schalmei (dubbelriet en conische
boring), maar het eerste instrument wat al de kenmerken van de klarinet in zich
verenigd is de chalumeau (mp3
chalumeau-sopraan,
mp3 chalumeau-alt).
De chalumeau werd in 1740 bekend en bestond uit een enkele 30 cm lange
cilindrische buis met
toongaten. Geen tonnetje en beker, maar wel een schuin aflopend mondstuk waar
een riet opgezet kon worden. Opvallend was dat de klank een octaaf lager is dan
andere instrumenten met dezelfde afmeting. Dit het gevolg van de cilindrische
boring in combinatie met het enkelriet. De volgende 9 tonen konden op dit
instrument gespeeld worden:
F klein, G,A, Bes, C1, D1, E1, F1, G1
Zoals u ziet is dit nog wel een beperkt instrument ten opzichte van de
klarinet. Er is nog geen hoog register. Rond 1690 bracht Dhr. Denner twee
klepjes aan op de chalumeau. Hij plaatste ze zo, dat er overgeblazen kon worden;
ook werden er een beker en een tonnetje aangebracht, de boring verwijd en het
riet verbeterd: De klarinet was geboren.
Waarschijnlijk heeft Denner gedacht dat door het aanbrengen van een
overblaasklepje het instrument "gewoon" in een octaaf zou overblazen. Bij de
klarinet bleek dit echter een duodecime te zijn. Boven de tonen van de chalumeau
(het "schalmeiregister") was het unieke klarinetregister ontstaan. De
theoretische omvang was van f klein tot d3.

De door Denner aangebrachte overblaasklep die in plaats van een octaafklep een
duo-decimeklep bleek te zijn.
Er werden nog enkele klepjes aangebracht en het instrument werd langer gemaakt
waardoor de
zuiverheid in het middenregister en de klank verbeterden.
Men ging er echter van uit dat een klarinet met meer dan drie kleppen niet
luchtdicht af te sluiten was vanwege de slappe veertjes en de vilten kussentjes
die in die tijd als polster gebruikt werden. De chromatische opeenvolging gaf
dan ook de nodige problemen; sommige grepen waren heel zwak of klonken in de
praktijk helemaal niet. Toch werd in de loop der jaren het aantal kleppen wat
uitgebreid, maar niet genoeg om goed chromatisch te kunnen spelen
Om toch in verschillende toonsoorten te kunnen spelen werden de klarinetten
meteen in verschillende stemmingen gemaakt, zodat het minimum aan kleppen
gebruikt hoefde te worden en lekkage vermeden werd.
De eerste klarinetten werden bespeeld door fluitisten en hoboïsten die een hele
investering moesten doen. Voor iedere toonsoort moesten zij apart een klarinet
te kopen. De klarinet was in die tijd dan ook niet echt populair.

Op deze afbeelding een koffer met drie klarinetten van verschillende afmetingen
voor verschillende toonsoorten
Waar de naam van de klarinet vandaan komt is en blijft een twistpunt. Clarino
betekend in ieder geval trompetachtig, maar het kan ook van het woord Klarin
(Bij Klarinblazen wordt gebruik gemaakt van het hoge register van de trompet).
Bij de opera in Belijne zat de klarinet dan ook tussen het koper.
In 1812 ontketende Müller een ware revolutie: Hij ontwierp een klarinet met 13
kleppen en verzonken toongaten; polsters van leer ,geplaatst in een hol
dekseltje. Verder kregen de kleppen kregen ook een logischer plaats waardoor de
klank verbeterde. De "clarinette omnitonique" was een feit: Een klarinet die
alle toonaarden met redelijk gemak kon bespelen. Ook het riet werd door Muller verbeterd. Hij liet het schuiner aflopen, maakte
het dunner (waardoor hij zelfs tongslag kon) en introduceerde de metalen
rietbinder.
De Duitse klarinet is direct op het werk van Muller geënt. Er werd nog wel het
een en ander aan toegevoegd, maar akoestisch werd er niet iets fundamenteels meer aan veranderd. Na Müller kwam er nog een grote vernieuwer: Hyacinthe Klosé‚. Hij was het die de Böhm-klarinet uitvond. De klarinet was geënt op het werk van
de fluitist Theobald Böhm, die door een systeem van brillen en kleppen er bij de
fluit voor zorgde dat de toongaten op de juiste plaats geplaatst konden worden
zonder dat er bij het boren rekening gehouden hoefde te worden met de bouw van
de hand. Rond 1900 werd de klarinet op grote schaal in allerlei toonsoorten door de
componisten voorgeschreven.

Let op het mondstuk! Dit is geen fout van de tekenaar, want zo werd er inderdaad
vroeger op gespeeld
-De Sopranino-klarinetten. Hoewel er sopraninoklarinetten in D, Bes(hoog), As, E en Es voorkwamen, is
tegenwoordig alleen de laatste in algemeen gebruik. Deze Es-klarinet komt in het
begin vooral voor bij de militaire orkesten, als versteviging van het hoge
register en als solo-instrument. In het symfonieorkest wordt hij voor het eerst
door Cherubini gebruikt, die hem aan het eind van de achttiende eeuw in zijn
opera's voorschrijft. De Es-klarinet wordt echter pas gemeengoed in het
symfonieorkest nadat H. Berlioz hem in zijn Symphonie Fantastique voorschrijft.
- De Bassethoorn en altklarinet. De bassethoorn werd rond 1770 ontwikkeld en lijkt op de altklarinet, maar heeft
een smallere boring, dunnere wanden, en heeft als laagste toon genoteerd c klein
De bassethoorn is in F gestemd. De schetsen van het klarinetconcert van Mozart
waren oorspronkelijk bedoeld voor bassethoorn (in g gestemd!). Ook gebruikt hij
het in zijn requiem. Verder werd het instrument door onder andere Beethoven,
Mendelssohn en Richard Strauss voorgeschreven. De alt-klarinet is meestal in Es gestemd en heeft e klein als laagst genoteerde
toon. De altklarinet werd ontwikkeld in opdracht van de militaire orkesten omdat
deze verlegen zaten om een instrument als de bassethoorn, maar met een
krachtiger klank.
-De Bas- en contrabasklarinet. De eerste basklarinet werd in 1792 ontwikkeld, maar raakte echter snel in de
vergetelheid. A. Sax kwam later met een basklarinet zoals we hem nu kennen De klank van de contrabasklarinet is een octaaf lager dan de basklarinet. In
1808 werd de eerste poging ondernomen, maar in 1840 ontwikkelde A. Sax zijn
contrabasklarinet. |